Steun ons en help Nederland vooruit

Publicaties

Reactie D66 op rapport Voorbereidingscommissie raadsonderzoek

27 september 2011

Voorbereidingscommissie raadsonderzoek had in twee maanden klaar kunnen zijn
Tot veler verrassing stemde de voltallige raad gisteravond in met het voorstel tot het houden van een raadsonderzoek naar het door het college gevoerde bestuur bij de besluitvorming en informatieverstrekking rond de herontwikkeling van het Haderaplein. Verrassing omdat in de voorbereidingscommissie, bemensd door vertegenwoordigers van alle zeven raadsfracties, een meerderheid, na maar liefst negen maanden onderzoek en overleg, niet de conclusie wilde trekken dat een raadsonderzoek noodzakelijk was. Terwijl, zo erkende de voltallige raad vlot, er geen andere conclusie mogelijk is.
In de raadsbespreking was geen ruimte voor het stellen van vragen aan de commissie. Van evaluatie zal het ook wel niet meer komen – de indruk bestaat tenminste dat daar weinig animo voor is- en dat ontneemt de raadsleden de kans om van het gebeurde iets te leren. De transparantie die veel partijen benadrukten hoog in het vaandel te hebben, ging niet zover dat er ook maar iets naar buiten mocht komen van de politieke kleuring in de commissie.
Binnen de fractie hebben we de gang van zaken uiteraard wel uitvoerig besproken en dat brengt ons tot de volgende conclusies:
1. Dergelijke commissies horen externe begeleiding in te huren die er op toeziet dat de commissieleden zich, los van hun politieke achtergrond, op zakelijke en inhoudelijke wijze bezighouden met de opdracht en met feiten.
2. Afgedwongen vertrouwelijkheid, tot en met afgrendeling van de eigen fracties, is niet alleen onreglementair, maar ontneemt de commissieleden de input en feedback van hun fractieleden en kan verstikkend werken.

Naar de mening van D66 had de voorbereidingscommissie in twee maanden klaar kunnen zijn als er deskundige begeleiding was aangetrokken en er voor een minder rigide opstelling qua vertrouwelijkheid was gekozen. De commissie was dan waarschijnlijk, net zo eensgezind als de raad gisteravond, tot de logische conclusie gekomen dat er maar één middel is dat mogelijk een antwoord kan geven op de vragen die vorig jaar zijn gerezen: een raadsonderzoek. En nog belangrijker dan de tijdwinst is het feit dat dit veel verwarring, frustratie en irritatie had kunnen voorkomen. Nu is het eigenlijk de zaak op de kop: door de voorzitter van de voorbereidingscommissie worden de drie commissieleden die zich met een duidelijke argumentatie van de open eindconclusie van het rapport distantieerden afgeschilderd als oncollegiale afvalligen. Twee weken later zullen wij het laten bij de constatering dat zich in de opvattingen van de overige vier commissieleden een klein wonder heeft voltrokken.

Het is goed dat de motie van gisteravond voorziet in het inschakelen van externe begeleiding en dat de verordening die leidend is voor het aankomende raadsonderzoek voorschrijft dat een groot deel van het onderzoek in volledige openbaarheid zal plaatsvinden.

Wil Legemaat

Hieronder de bijdrage van D66 aan het debat, voorzien van vragen, die nog steeds leven, maar dus nooit gesteld kunnen worden.

Reactie D66 op rapport Voorbereidingscommissie Raadsonderzoek 26-09-2011

Het is al bijna een jaar geleden dat een meerderheid van de raad het voornemen uitsprak te komen tot een raadsonderzoek. Er moest eerst nog wel het een en ander gebeuren: er moest een verordening komen en er moest een commissie worden ingesteld die zou checken of een raadsonderzoek het beste middel was en die dat raadsonderzoek zou gaan voorbereiden. De voorbereidingscommissie. Half december waren beide vastgesteld en ingesteld. Precies negen maanden later ontvingen wij het rapport van deze commissie.

De fractie van D66 dankt de leden van de voorbereidingscommissie voor hun inzet en inspanningen.
Hoewel wij op basis van dit rapport maar tot één conclusie kunnen komen en die ook in een motie hebben uitgewerkt, hebben we als fractie ten aanzien van het rapport vijf vragen.

1.In tegenstelling tot waar mijn fractie van uitging, heeft de commissie besloten geen externe begeleiding te nemen, uit ‘ondermeer financiële overwegingen’ (tekst rapport):
Wat zijn de overige overwegingen? En waaruit leidde de commissie af dat de raad er geen geld voor over zou hebben?

2. Er is besloten in strikte vertrouwelijkheid te werken, zelfs de fracties mochten niet geraadpleegd. Daarmee ontnam u de leden de input en feedback van hun fractiegenoten. Nu is het zo dat raadsleden, die allen de eed of belofte hebben afgelegd elkaar niet het zwijgen kunnen opleggen, alleen in een vertrouwenscommissie burgemeestersbenoeming is dat reglementair mogelijk.
Op basis van welk reglement of welke verordening heeft u die vertrouwelijkheid afgedwongen en, als dat zomaar een afspraak is, heeft de griffier u dan niet gewezen op het onreglementaire karakter van die afspraak?

3. De commissie was dus als een kip die een ei in alle rust wilde uitbroeden. Maar na het lezen van het rapport en van de achterliggende stukken zoals de notulen vragen wij ons af of u niet een extra ei in het nest heeft gesleept. Neem nu de naam van de commissie. Wij ontvingen het rapport van de Voorbereidingscommissie Raadsonderzoek en dat was u ook in onze ogen: een commissie die het raadsonderzoek gaat voorbereiden volgens de regels van de gemeentewet. Maar in het rapport en ook in de toelichting die de voorzitter in de media gaf, wordt voortdurend gesproken over de commissie vooronderzoek raadsonderzoek. En uit de wijze waarop u te werk ging lijkt dat werkelijk iets anders te zijn, waardoor het geheel erg verwarrend is geworden.
Wat zegt de motie van 21 oktober 2010 eigenlijk? In onze ogen dat de raad in ruime meerderheid de intentie heeft uitgesproken een raadsonderzoek te starten waarin betrokkenen onder ede gehoord worden. De commissie is ingesteld om de onderzoeksvragen te formuleren, te kijken of de raad ook over andere middelen beschikt waarmee dezelfde of betere antwoorden op die vragen kunnen worden verkregen en om te checken, aan de hand van een lijstje uit de Handreiking recht van onderzoek in de gemeentelijke praktijk, of er zwaarwegende redenen zijn om af te zien van een onderzoek. De opdracht was dus klip en klaar: een onderzoek, ja, tenzij… Dit deel van de opdracht heeft u ook uitgevoerd en het antwoord staat in het rapport: nee, er is geen ander middel dat voldoet en er zijn geen zwaarwegende redenen om af te zien van een onderzoek. U had dus gewoon een raadsonderzoek moeten gaan voorbereiden en heldere onderzoeksvragen formuleren en klaar was kees geweest.
Maar dat heeft u niet gedaan, nee u bent zelf, in Petit Comité, afgegrendeld van uw fracties, gaan onderzoeken of er eigenlijk wel een onderzoek moet komen. Of, of in plaats van Ja, tenzij. U bent als het ware ook weer op het vorig jaar al uitgebroede kuikentje gaan zitten. Daarmee kreeg de commissie een politieke kleuring met alle gevolgen van dien. En u kwam er ook door in de problemen. Doordat u zelf de vraagstelling ging omvormen, bent de motie onduidelijk gaan vinden. Heel merkwaardig is dat de commissie als eindconclusie heeft dat de raad zelf maar moet beslissen of er een raadsonderzoek moet komen. Dat lijkt me nogal wiedes, daar hoeft de commissie niet over te beslissen, dat is de commissie ook niet gevraagd. Er is zelfs niet om advies gevraagd. Het besluit in kwestie was in principe vorig jaar al genomen en kon alleen teruggedraaid indien de commissie daar valide argumenten voor levert. Geen wonder dat ons commissielid, mevrouw Bachman, zich van zo’n kronkelredenering wil distantiëren.
Hoe kunt u uit de motie afleiden dat van u gevraagd is om te onderzoeken of een raadsonderzoek wenselijk is? Hoe kunt u uit de motie afleiden dat de commissie moest beslissen of er een onderzoek komt?

4. Omdat de controlemiddelen van de raad en de handreiking geen moverende redenen opleverden om van het onderzoek af te zien, heeft u een lijstje gemaakt van redenen om van een raadsonderzoek af te zien: in de samenvatting worden ze ook genoemd.
Wilt u ons uitleggen op basis waarvan u aanneemt dat er hoogstwaarschijnlijk geen nieuwe feiten op tafel zullen komen, hoe het feit dat betrokkenen hier niet meer werken een rol kan spelen en wat het gesprek dat over projectbeheersing gevoerd wordt ons als raad voor waarborgen biedt?

5. De vierde veronderstelling op dat lijstje, dat er hoogstwaarschijnlijk geen nieuwe feiten aan het licht zullen komen, staat feitelijk op gespannen voet met bevindingen van de commissieleden. Uit alles wat de commissie onder ogen is gekomen is naar onze mening wel degelijk te verwachten dat een onderzoek nieuwe feiten boven tafel brengt. In de 5e bullet op bladzijde 7 rept het rapport bijvoorbeeld van verschillende verslagen. De heer Valkema schijnt over bijzondere informatie te beschikken en er zijn stukken ingezien, waarvan later is gezegd dat daarvoor een juridische procedure met beroep op de WOB voor nodig was.
Kunt u een toelichting geven op het beweerde over de verschillende verslagen? Kunt u aangeven waarop de mening dat de WOB nodig is voor het inzien van bepaalde stukken is gebaseerd? Wie heeft dat beweerd en is dat gecheckt? De heer Valkema zou ik willen vragen een tipje van zijn sluier op te lichten.

Naar onze mening is er voldoende reden om aan te nemen dat een raadsonderzoek waarbij betrokkenen onder ede gehoord worden, maximale helderheid verschaft. De fractie van D66 is van mening dat de raad aan zichzelf, aan alle betrokkenen en aan de burgers verplicht is om zo’n onderzoek te laten uitvoeren. De goede naam van velen is in het geding. Een gedegen onderzoek onder ede kan betrokkenen alleen maar recht doen.
Uiteraard met deskundige leiding en opleiding. Het mag geen politiek afrekenproces worden.
Voor ons is de zaak helder en eenvoudig: de motie van oktober 2010 moet gewoon uitgevoerd worden, want er zijn geen overtuigende redenen om dat niet te doen. De commissie heeft nagelaten met een definitief voorstel te komen, daarom komen wij er maar mee, in de vorm van een motie.

Tot zover onze bijdrage. Uiteindelijk zijn alle besluiten (het verzoek aan de toekomstige commissie om onder ede te horen, het verzoek om externe begeleiding in te schakelen en een tijdstermijn) uit onze motie ingevoegd in de motie die de VVD had voorbereid en die in wezen dezelfde strekking had als de D66-motie. Daarna is deze motie mede namens D66 ingediend en met unanieme stemmen aangenomen.

Gepubliceerd op 19-12-2013 - Laatst gewijzigd op 22-11-2018