Steun ons en help Nederland vooruit

Publicaties

Reacties raadsfracties op rapport raadsonderzoek zeer verschillend

22 mei 2012

Hoewel alle raadsfracties zeggen zich goed te kunnen vinden in de aanbevelingen van het rapport van de commissie Raadsonderzoek Raadhuisplein/Haderaplein, zijn de reacties op de conclusies uit het rapport zeer verschillend.
Verscheidene raadsfracties maakten de commissieleden complimenten voor het onderzoek en voor het gedegen rapport.

Theo Berends (CU) zegt blij te zijn met de conclusies. Er is niet aangetoond dat er bewust informatie is achtergehouden. Was dat wel het geval dan zou Berends dat ‘verre van zich geworpen’ hebben. Sommige aanbevelingen lijken hem te strak. ‘We moeten leren beter communiceren’ zegt Berends en refereert daarbij aan wat hij tijdens het vragenuurtje zei, toen hij voor de derde maal opmerkte dat het college de raad niet tijdig geïnformeerd heeft over de mogelijke verhuizing van het Zernike College naar de Kerklaan. Een opmerkelijke link, want als Berends dat zo schandalig vindt dat hij er drie keer op terugkomt, dan zou hij de gebrekkige informatievoorziening rond het project Raadhuisplein/Haderaplein ook schandalig moeten vinden.
Pieter Terpstra (VVD) zegt dat de commissie goed werk heeft verricht. Er ligt een evenwichtig rapport dat een helder inzicht geeft in protocollen en procedures bij grote projecten. Bij grote, belangrijke projecten horen randvoorwaarden, die ook in de procedures verankerd moeten zijn. Er zijn bij dit project te veel losse einden in de overdracht van informatie ambtelijke organisatie-college-raad, concludeert Terpstra. Hoe ga je om met verandering in externe omstandigheden, wanneer gaat het stoplicht op rood? De VVD kan zich goed vinden in de aanbevelingen, al houdt Terpstra vraagtekens bij de laatste aanbeveling: “Het idee dat het dualisme alles oplost, is een te ruim kader.”
Mariska Sloot (GVH) betuigt haar waardering voor de inzet van en voor de tijd die de commissieleden aan het onderzoek hebben besteed. Zij noemt het opmerkelijk dat veel betrokkenen aan collectief geheugenverlies leden, dat wethouders miljoenenverliezen niet behoorlijk meldden. Voormalige bestuurders nemen hun verantwoordelijkheid niet, stelt zij. Het traject om te komen tot een onderzoek was zeer zwaar, memoreert Sloot. Alles is uit de kast gehaald om het te voorkomen. De aanbevelingen onderschrijft Sloot van harte. Er is voor eens en altijd duidelijk dat er beter gearchiveerd moet worden en dat de raad recht altijd geïnformeerd moet worden.
Jan Kooi (CDA) dankt de commissie voor de zorgvuldige werkwijze. Drie zaken zijn duidelijk geworden: De beschikbare informatie is gemarginaliseerd tot niet ter zaken doende, de projectbeheersing en communicatie is rommelig en onzorgvuldig geweest, de regie ging verloren en de raad is niet in staat gesteld een belangrijk en politiek gevoelig project bij te sturen. De conclusie van het CDA is dat het vorige college niet in staat is geweest projectontwikkeling te beheersen, sturing te geven aan processen, ontwikkelingen adequaat te analyseren, af te stemmen op beleid en tijdig te rapporteren aan de raad.
Eric Schenkel (GL) is blij met het rapport ‘na alle gedoe van de afgelopen jaren’. Er is niet aangetoond dat er bewust informatie is achtergehouden en dat de wet is overtreden. Schenkel is persoonlijk blij dat de 100% integriteit van Jeroen Niezen vaststaat. Dat wordt ook in het rapport erkend, stelt hij. Wat de aanbevelingen betreft: het kan natuurlijk altijd beter. GL is niet voor een rigide benadering, maar zoekt de nuance. Vertrouwen speelt daarbij een grote rol. Archiveren van e-mails vindt GL ongewenst, bij mailverkeer hoort een zekere vrijheid en ook daar is ‘vertrouwen’ het sleutelwoord.
Ton Sprenger (PvdA) dankt voor werk en zorgvuldigheid van de commissie. Hij wijst op de onduidelijke status van het rapport Draaijer en partners: second opinion of een document voor advies opnemen bodemwaarde. De verkiezingen hebben een duidelijke rol gespeeld, stelt Sprenger. Aan de hand van allerlei citaten volgt een warrig en suggestief betoog waarin van alles onterecht aan elkaar wordt geknoopt. Zo suggereert Sprenger dat het advies dat de lijsttrekker van D66 in februari vroeg aan Team4 iets te maken heeft met de latere ‘vondst’ van het rapport van Draaijer en partners. Ook beweert hij dat in campagnetijd nog werd geprobeerd de bouw van het gemeentehuis tegen te houden (terwijl de bouw toen al begonnen was). Het overdrachtsdossier van wethouder op wethouder knoopt Sprenger aan overleg met lijsttrekkers vóór de verkiezingen en zelfs aan het rapport Vos Hoving (dat pas in oktober 2010 gevraagd werd). Hij gaat zelfs zover dat hij beweert dat het college tussen april en juli alle tijd nam om de cijfers te verifiëren. Kennelijk bestaat er bij de PvdA grote behoefte de zwarte piet alsnog richting wethouder Gerben Pek te schuiven.

De reactie van D66 is als volgt:
Eind april presenteerde de onderzoekscommissie een gedegen, goed gestructureerd en helder geschreven rapport. Alle lof voor de onderzoekers René Valkema, Fokke Fennema en Bernard Prenger en het begeleidende bureau BING. Ondanks het roerige voortraject is het onderzoek professioneel en, op een enkel incident na, waardig verlopen.

Het onderzoek heeft niet aangetoond dat er in februari 2010 opzettelijk informatie is achtergehouden en ook niet dat het voltallige college zodanig geïnformeerd was dat men door niet aan de bel te trekken de wet heeft overtreden. Daar zijn we op zichzelf blij om, want het zou een dramatische constatering zijn als het anders was.
Maar betekent dat nu dat er dus niets aan de hand was?

Het onderzoek draaide om drie onderzoeksvragen, vastgesteld door de raad.
Het antwoord op de eerste onderzoeksvraag: Heeft het college voldaan aan de actieve informatieplicht? Luidt: Nee, de raad is niet tijdig geïnformeerd en dat had wel gemoeten. Het bevreemdt de commissie dat de informatie die beschikbaar was, namelijk een geschatte lagere opbrengst van 2 miljoen, niet als zodanig belangrijk is aangemerkt en niet is gemeld.
En op de tweede onderzoeksvraag: heeft het college de beschikking gehad over de juiste informatie? Nee en dat had wel gemoeten. Het bevreemdt de commissie dat de twee collegeleden die in de stuurgroep zaten en die op de hoogte waren deze belangrijke informatie niet met het voltallige college en de raad gedeeld hebben.
En op vraag drie: heeft het college zich voldoende ingespannen om zich voldoende te laten informeren? Nee en dat had wel gemoeten. Het bevreemdt de commissie dat het college de informatie over zulke belangrijke projecten zo informeel in een rondvraag wisselt, dat er geen behoorlijke verslaglegging is en dat er zo weinig wordt gedaan met interne kritische signalen.
Het mag dan wel niet zijn aangetoond dat er bewust informatie is achtergehouden, door wie dan ook, feit is dat er op allerlei niveaus informatie niet is doorgegeven die wel doorgegeven had horen te worden en dat bestuurders niet bepaald open stonden voor informatie en signalen die niet in hun plannen pasten.
Dat lag niet aan de projectprotocollen, die zijn er wel en die zijn zelfs helder. Het project Raadhuisplein/Haderaplein geldt als een zogenaamd A-project, wat wil zeggen dat het een groot en politiek gevoelig project betreft. Een project waarbij de hoogste graad van zorgvuldigheid past.
Maar uit het onderzoek blijkt helaas dat er aan die zorgvuldigheid veel mankeert.

Hoe het kan bestaan dat de projectleider en twee wethouders op de hoogte zijn van schokkende tegenvallende cijfers en dat daar niets mee gedaan wordt, blijft een cruciale vraag, die helaas niet wordt beantwoord. Misschien moet je tussen de regels door lezen.

In 2006 werd besloten dat er een integraal plan zou komen voor het hele gebied Haderaplein/Raadhuisplein. Uit de opbrengst van de ontwikkeling van het Haderaplein zou het gemeentehuis gefinancierd worden. Tot afschuw van mijn partij werd het project vlak daarna in tweeën geknipt. Eerst werd het gemeentehuis gebouwd en het Haderaplein moest daarna beslist een bepaald bedrag opleveren. Duidelijk is geworden dat de terreur van die verplichte verdiencapaciteit een grote rol heeft gespeeld. De bestuurders –overigens dezelfde die verantwoordelijk waren voor die knip- konden het zich gewoon niet veroorloven dat de bouwplannen op het Haderaplein minder zouden opbrengen. Daar moeten wij allemaal lering uit trekken, dat moeten we onszelf of anderen niet aan willen doen.
Uit de hoorzittingen is gebleken dat de persoonlijke en wellicht politieke opvattingen over wat relevante informatie is en wat niet, wat dus wel of niet gedeeld zou moet worden met college en raad, een bepalende rol heeft gespeeld in dit gehele dossier. Het is voor D66 een schokkende constatering dat er op dit punt zoveel ruimte zat in de aansturing van het project, dat deze situatie zich heeft kunnen voordoen.
Wie de hele gang van zaken zo keurig onderzocht en op een rij gezet ziet, schrikt van de rommeligheid en het weinig professionele karakter die dit grote en belangrijke en politiek gevoelige project kenmerken. Het is niet verheffend voor de politiek en niet voor de organisatie. Geen behoorlijke dossiervorming, geen structurele terugkoppeling in het college, geen degelijke verslaglegging, ambtelijke signalen die niet worden opgepikt, geen duidelijke regie en veel te veel ruimte voor individueel gedrag en eigen interpretaties. Het gaat hier om een miljoenenproject en die miljoenen worden betaald door de gemeenschap.
De fractie van D66 kan zich dan ook volledig vinden in de aanbevelingen van het rapport.

Onze vraag aan het college is: gaat u die aanbevelingen opvolgen? En kunt u ons een terugkoppeling daarvan toezeggen?

Om zelf maar het goede voorbeeld te geven: de fractie van D66 zal in elk geval de laatste aanbeveling – een meer duale houding- serieus nemen.

Het college heeft toegezegd de aanbevelingen op te volgen en de raad binnenkort een tijdpad te verstrekken.

Wil Legemaat

Gepubliceerd op 19-12-2013 - Laatst gewijzigd op 22-11-2018